Actueel


Vrije wil: het nieuwe thema voor het eindexamen filosofie voor het VWO



Uit: NRC, Mens& beschouwingen, 31-01-12 

 Academische filosofie is ijdeltuiterij

Hans Harbers

Geen relevante filosofie zonder praktische toepasbaarheid. Vindt filosoof Hans Harbers. Niet langer wil hij onderzoek doen. Pleidooi voor maat- schappelijk los-denken.

Enige tijd geleden kreeg ik een artikel onder ogen van een collega-filosoof, waarin hij onomstotelijk meende te bewijzen dat de notie van universele rechten van de mens volstrekt onzinnig is, want een conceptuele onmogelijkheid. Ik vroeg hem of hij de voorzitter van de Verenigde Naties al had gebeld om kond te doen van dit verbijsterende maar logisch gezien volstrekt dwingende inzicht.

Hij keek me enigszins verdwaasd aan, totaal niet begrijpend wat ik bedoelde - noch de ernst van mijn grapje, noch de grap van mijn ernst. Dat had er toch helemaal niks mee te maken, de politiek van de VN?! Het ging hier om een wetenschappelijke, logisch-conceptuele analyse - goed voor een artikel in een internationaal, dubbelblind gereviewed A+-tijdschrift met een hoge citatie- en impactscore. Top of the bill, dus.

Volgens Sjoerd de Jong (in Mens&, vorige week) is dit het onvermijdelijke gevolg van de verzelfstandiging van de filosofie tot een apart vak, met eigen theoretische problemen. Niks mis mee, zolang filosofen maar blijven denken, zo stelt hij. Dat er zo een kloof is ontstaan tussen de academische vakfilosofie die niemand leest en de populaire filosofie van de levenskunst die zo goed in de markt ligt, moeten we kennelijk maar op de koop toe nemen.

Toch maar liever niet, dunkt me! Die kloof is namelijk fataal voor beide. Als de academische filosofie haar maatschappelijke zuurstoftoevoer verliest, stikt ze in haar eigen geneuzel. En als de populaire filosofie niet meer wordt onderworpen aan de ransel van het wetenschappelijk redeneren, ontaardt ze in een stapel semi-therapeutische troostboeken.

Filosofie is in mijn ogen interessant als het een dwars perspectief levert op maatschappelijke, politieke, levensbeschouwelijke of anderszins prangende vraagstukken - een vorm van dwars-denken en los-denken, los van vastgeroeste kaders, weg van platgetreden paden. Filosofie is als een kist, gevuld met gereedschappen (concepten, theorieën, gedachten), om die vraagstukken op verrassende wijze opnieuw te versleutelen

Dit vereist in de eerste plaats grondige kennis van en vooral ook interesse voor de alledaagse realiteit. Hoe en waar doen die vraagstukken zich voor? Door wie worden ze op welke wijze gepercipieerd? Filosofen die niet goed geïnformeerd zijn, schieten hun doel bij voorbaat voorbij. En omgekeerd, als die filosofen dan eenmaal aan de haal zijn gegaan met die maatschappelijke vraagstukken moeten de resultaten daarvan weer terugvertaald worden naar die alledaagse praktijken. Immers, theorieën en begrippen krijgen pas betekenis in hun gebruik, aldus William James, een van de grondleggers van het filosofisch pragmatisme. Als er geen handelingen mee verbonden zijn, blijven ze volstrekt betekenisloos - ijdeltui-terij van filosofische luchtfietsers.

En dat is wat ik steeds meer zie binnen de muren van de academische filosofie. Het probleem is niet dat filosofen niet de juiste thema's zouden behandelen. Dat doen ze wel. Het draait in de filosofie altijd weer om het ware, het goede en het schone - en alles wat daarmee te maken heeft. Maar de wijze waarop dat gebeurt, daar wreekt zich de academisering van de filosofie. Vakfilosofen zijn vaak alleen nog geïnteresseerd in de inhoud van hun gereedschapskist - niet meer in het maatschappelijk gebruik ervan. Ze schuiven elkaar intern gerichte, filosofische puzzels toe, losgezongen van elke praktische context. Footloose philosophy noem ik dat - filosofie die niet meer met de poten in de modder staat, maar een eigen universum heeft gecreëerd.

Eén van de oorzaken hiervan is de eenzijdige nadruk op internationaal publiceren in zogenaamde top-tijdschriften, die alleen door collega-filosofen worden gelezen. Hoezeer er vanuit beleidskringen ook wordt aangedrongen op maatschappelijke relevantie ('valorisatie van kennis', heet dat in jargon), wie carrière wil maken in de academische filosofie moet vooral in dat navelstarende circuit meedraaien. Elke poging een link te leggen met de alledaagse realiteit is verloren tijd en energie, want telt niet mee. En dan maar mopperen op de geringe kwaliteit van die niet-academische, populaire filosofie.

Eigen schuld, dikke bult. Doe er liever wat aan.

Paul Horwich (1947), analytisch filosoof, onderzoekt theorieën over taal en waarheid. In zijn bekendste werk, Truth (1990), verdedigt hij een minimalistische opvatting van het begrip waarheid Jerry Fodor (1935),filosoof en cognitieve wetenschapper, maakte naam met een omstreden functionalistische theorie van de geest en de taal van gedachten Timothy Williamson (1955), specialist in logica en taalfilosofie, maakte naam met zijn werk op het gebied van de afbakening van vage begrippen als kaal of mager Drie denkers uit de internationale top Sjoerd de Jong besprak vorige week het boek Philosophers van de Amerikaanse fotograaf Steven Pyke: portretten van 100 vooraanstaande filosofen die, naast hun foto, in 50 woorden toelichten wat de kern van hun werk vormt. Drie voorbeelden:

Info: Deeltijd-docent aan de Universteit Groningen, Faculteit Wijsbegeerte. Geeft alleen nog onderwijs, nam ontslag voor het onderzoeksdeel van zijn aanstelling en is nu freelance moderator en organisator van debatten en andere intellectuele activiteiten.

Uit: NRC Boeken, 11-11-11  

Strijd is uit de tijd

Dirk Vlasblom


Steven Pinker schreef een 800 pagina's dikke geschiedenis van onze gewelddadigheid. Die neemt af, is zijn vaste overtuiging, oorlogen en wreedheden zijn steeds minder talrijk, onder meer omdat de mens slimmer is geworden. Heeft Pinker gelijk met zijn erudiete betoog?

Stel, je bent dertig. Dan ben je geboren in het jaar dat de bloedige grensoorlog uitbrak tussen Iran en Irak, zette je de eerste stapjes toen de Britten de Falklands heroverden op de Argentijnen, en zat je in groep vijf toen de Irakezen werden verdreven uit Koeweit. Je zat net op de middelbare school of de razernij brak uit in Rwanda en Joegoslavië spatte bloedig uiteen. Je was al volwassen toen de VS doelwit waren van de grootste terreuraanslag uit hun geschiedenis. Daarna werd de neiging stilaan sterker om weg te zappen van de beelden uit Irak en Afghanistan.

Als iemand beweert dat het geweld in de wereld op zijn retour is, lijkt dit in tegenspraak met onze ervaring. Toch komt Steven Pinker met sterke argumenten in zijn nieuwe boek: The Better Angels of Our Nature. De titel is ontleend aan een uitspraak van Abraham Lincoln en verwijst naar menselijke vermogens als empathie, moraal en rede. Volgens Pinker, hoogleraar psychologie in Harvard, krijgen die 'betere engelen' in de loop der geschiedenis steeds meer vat op de 'innerlijke demonen' van de mens, zoals prooigedrag, wraak, sadisme en totalitaire ideologieën. Metals gevolg dat er steeds minder oorlog wordt gevoerd en de moordcijfers in de wereld gestaag dalen.

Om de lezer daarvan te doordringen wijdt Pinker een impressionistische inleiding aan het vele geweld in de culturele en historische canon - van de soms ronduit genocidale passages in de Hebreeuwse Bijbel en in Homerus' Ilias tot het beulszwaard waarmee Hendrik VIII zijn jaloezie uitleefde en andere vroegmoderne vormen van vergelding.

Vervolgens schrijft hij in de eerste hoofdstukken een wereldgeschiedenis van geweld en oorlog, waarbij hij kwistig gebruik maakt van statistieken. Bijna alle grafieken waarin geweld is afgezet tegen de tijd laten neergaande lijnen zien: de laatste vijf millennia is geweld in al zijn verschijningsvormen - moord, doodslag, oorlogen tussen staten, burgeroorlogen, geweld van milities en krijgsheren, terrorisme en genocide - afgenomen. De grafieken vertonen pieken en dalen, maar de lijnen door de gemiddelden lopen omlaag.

Volgens de uitgever is 'dit boek voorbestemd het meest controversiële en beroemdste werk te worden' van de auteur, die eerder bestsellers schreef over taal en het menselijke brein. Maar zo nieuw is zijn betoog nu ook weer niet. Pinker mengt zich in een debat dat in 1996 werd geopend door de Amerikaanse archeoloog Lawrence Keeley met zijn boek War before Civilization (1996). Keeley ging in tegen een school van archeologen en prehistorici die, in navolging van de 18de-eeuwse filosoof Jean-Jacques Rousseau, beweren dat oorlogvoering pas begon met steden en staten, en dat de prehistorische mens, de 'nobele wilde', relatief vreedzaam was. Intussen zijn de meeste onderzoekers het erover eens dat in de prehistorie zo'n kwart van de volwassen mannen gewelddadig aan zijn eind kwam.

Oorlogswil

Keeley kreeg bijval van de militair historicus Azar Gat, die in zijn monumentale War in Human Civilization (2006) concludeert dat oorlog in de loop der tijd steeds minder lonend is geworden en de oorlogswil is afgenomen. Pinker leunt in zijn historische overzicht zwaar op Keeley en Gat. Zijn eigen bijdrage bestaat vooral uit de twee psychologische hoofdstukken ('Inner Demons' en 'Better Angels'), waarin hij uiteenzet dat de historische ontwikkelingen zo zijn dat de meer vreedzame functies van het menselijke brein steeds vaker worden gemobiliseerd. Daarnaast onderzoekt Pinker, anders dan Keeley en Gat, naast gewapende conflicten ook andere vormen van geweld: van het slaan van kinderen tot verkrachting en moord.

Pinker benoemt een aantal historische omwentelingen die zouden hebben bijgedragen tot een minder gewelddadige wereld, zoals de pacificerende werking van de landbouw, en het 'civilisatieproces'. Dat is de titel van een klassieker uit 1939 van de Duitse socioloog Norbert Elias, die Pinker kennelijk pas heeft ontdekt (hij noemt Elias 'the most important thinker you have never heard of'). Afname van massaal geweld, zegt Pinker Elias na, past in het proces waarin de mens op de lange duur zijn driften leert beheersen. Eer wijkt voor persoonlijke waardigheid, de staat monopoliseert het geweld, en handel zorgt dat vrede loont.

Ook de 'humanitaire revolutie', onderdeel van de Verlichting, had een dempend effect op geweld. In de 18de eeuw werd gerechtelijke marteling afgeschaft, begonnen veel landen de lijst met vergrijpen waarop de doodstraf stond in te korten. Aan zaken als duelleren, heksenjachten, religieuze vervolgingen en slavernij werd eveneens een eind gemaakt. In de naoorlogse wereld volgde tenslotte nog een hele serie 'rechtenrevoluties' (mensenrechten, burgerrechten, vrouwen- en kinderrechten, homorechten, dierenrechten), die een groeiende weerzin tegen agressie weerspiegelen.

Het cliché dat 'de 20ste eeuw de meest gewelddadige was in de geschiedenis' negeert volgens Pinker de tweede helft van die eeuw en gaat zelfs niet op voor de eerste helft, als we het aantal gewelddadige sterfgevallen berekenen als percentage van de wereldbevolking. Na 1945 begon in Europa een 'Lange Vrede'; oorlogen tussen staten bleven uit. Pinker wijst ter verklaring op de groei van democratie, wereldhandel en het ontstaan van internationale organisaties. Liberale democratieën, zegt hij historicus Azar Gat na, zijn de minst oorlogszuchtige samenlevingen. Burgers worden er gesocialiseerd tot vreedzaam, door de wet gestuurd sociaal gedrag en zij verwachten dat hun regering dezelfde normen toepast in de omgang metandere staten.

Wie mocht denken dat deze trends beperkt blijven tot Europa, krijgt van Pinker ongelijk. Geweld en oorlog namen na 1945 overal af, ook in ontwikkelingslanden. Wel ging de afname van het aantal oorlogen tussen staten na de dekolonisatie gepaard met meer burgeroorlogen, maar daarin komen minder mensen om dan in oorlogen tussen staten. Sinds de jaren tachtig, tenslotte, zijn alle soorten wapengeweld - burgeroorlogen, genocide, repressie door autocratische regimes en terroristische aanslagen - wereldwijd afgenomen. Het aantal gedocumenteerde sterfgevallen als gevolg van oorlogsgeweld bedroeg de afgelopen tien jaar een paar honderdste van een procent van de wereldbevolking als geheel.

Pinkers betoog is meeslepend en vaak overtuigend, maar vertoont ook zwakke plekken. De heilzame gevolgen van wat hij in navolging van Elias het civilisatieproces noemt, zijn aantoonbaar voor West-Europa, maar veel minder voor de Verenigde Staten. Elizabeth Kolber van The New Yorker merkt op dat het moordcijfer - het aantal moorden per jaar op 100.000 inwoners - van New Orleans vorig jaar 49 was, ongeveer even hoog als Amsterdam in de 15de eeuw. Pinkerstelt datAmerikanen, vooral die in het zuiden en westen, nooit akkoord zijn gegaan met een geweldsmonopolie voor de staat. De opmars van de op eergevoel gebaseerde straatcultuur in Afro-Amerikaanse gemeenschappen doet de rest.

De zwakste stee in Pinkers betoog is de manier waarop hij zich rekenschap geeft van de niet-westerse werkelijkheid - een oude makke van de psychologie als discipline. Als het gaat om niet-westerse moordstatistieken vindt Pinker alleen de cijfers van Wereld Gezondheidsorganisatie enigszins betrouwbaar. Die geeft een wereldwijd gemiddelde van 8,8 op 100.000. Dat cijfer, zegt Pinker, steekt gunstig af bij de scores met drie decimalen van prehistorische samenlevingen en die met twee cijfers van middeleeuws Europa. Gewelddadige landen als Rusland (29,7 moorden op 100.000) en Zuid-Afrika (69) zouden na de val van hun regimes in de jaren negentig zijn 'gedeciviliseerd'.

Pinker schrijft dat democratieën, áls ze dan toch oorlog voeren, weinig slachtoffers maken. Dat is de vraag. De Britse socioloog Martin Shaw noemt hedendaagse oorlogen - reguliere legers uit westerse democratieën vechten tegen ongeregelde troepen, zoals in Irak en Afghanistan - risk-transfer wars. De steun van het westerse thuisfront slinkt naarmate er meer slachtoffers vallen onder de eigen manschappen en daarom worden verliezen zoveel mogelijk beperkt. Dat maakt de kans op burgerslachtoffers groter; het risico wordt afgewenteld op de bevolking van het oorlogstoneel.

Empathie

Pinker is optimistisch. De werkingssfeer van onze empathie zou groter worden door media, reizen en wereldburgerschap. Maar de belangrijkste 'betere engel', schrijft hij, is de rede. De mens is in de loop der tijd simpelweg slimmer geworden. Pinker: 'Samenlevingen met hogere niveaus van intellectuele en schoolprestaties zijn ontvankelijker voor democratie en kennen minder burgeroorlogen.'

Pinker overtuigt niet op iedere bladzijde. Maar na een erudiet betoog van 800 pagina's, boordevol historisch bewijsmateriaal, zal hij bij de meeste lezers een sprankje vooruitgangsgeloof hebben gewekt.

In de oertijd stierf een kwart van de mannen een gewelddadige dood Discussieer mee over Pinker Morgen in de bijlage Wetenschap een interview met Steven Pinker. Interview en recensie van The Better Angels of Our Nature. The Decline of Violence in History and its Causes zijn beide te lezen via www. nrc.nl/boeken. Bent u het eens, of juist hartgrondig oneens met de stelling van Pinker dat het geweld in de moderne wereld afneemt, discussieer dan mee op de Leesclubpagina van nrc.nl/boeken waar elke week een nieuw boek in het middelpunt staat.

Info: Steven Pinker: The Better Angels of Our Nature. The Decline of Violence in History and its Causes. Penguin Books, 802 blz. euro 21,- De vertaling verschijnt half december bij Contact. 

 
copyright © 2010 Vereniging Filosofiedocenten in het Voortgezet Onderwijs. Alle rechten voorbehouden.